Symptomenlijst
 
 
 
 

Symptomenlijst TGG en DIS

Inleiding


We bieden met enig voorbehoud een lijst aan met symptomen die kunnen duiden op ervaringen met geritualiseerd misbruik. Deze lijst is deels ontstaan uit de ervaring van de Nederlandse kinder- en jeugdpsychiatrie en deels een integrale vertaling is van een symptomenlijst uit de traumahulpverlening in de VS.

Het voorbehoud is dat we dit niet aanbieden om als checklist tijdens een gesprek met een minderjarige te gebruiken – dat ontraden we ten zeerste. Maar wel kan de lijst gebuikt worden na afloop van zo’n gesprek om een scherper beeld te krijgen van wat het gesprek heeft opgeleverd. Nog een andere opmerking is vooraf noodzakelijk: er staan behoorlijk expliciete symptomen vermeld, die mogelijk kunnen werken als triggers. Als u als lezer daar beducht voor bent, raden we aan deze lijst niet in te zien.

Hieronder volgt een overzicht van symptomen die kinderen kunnen hebben ten gevolge van een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) of TGG, Transgenerationeel Georganiseerd Geweld.

Het is niet de bedoeling dat het overzicht, bestaande uit een lijst van dissociatieve verschijnselen en een lijst van symptomen van ritueel geweld, functioneert als een soort checklist tijdens een gesprek met een minderjarige. De informatie kan gedurende de evaluatie achteraf helpen onderdelen van het gesprek te ordenen en een mogelijke samenhang te onderkennen. Beide lijsten overlappen elkaar gedeeltelijk. Dit is logisch omdat DIS soms voortkomt uit TGG, maar vaak ook een andere traumatische oorsprong heeft. 


Dissociatieve verschijnselen in de kindertijd en adolescentie 


Herry Vos, kinder- en jeugdpsychiater (gepensioneerd) 

Het is goed te weten dat er verschijnselen zijn die doen denken aan dissociatie, maar die beschouwd moeten worden als de gevolgen van vernauwde aandacht.
Voorbeelden zijn: 

  • zo geconcentreerd bezig zijn dat je je niet meer bewust bent van wat er in je omgeving gebeurt. 
  • bij het lezen aan het eind van een zin je niet meer herinneren wat het begin was, omdat je aandacht ondertussen is verschoven naar iets anders. 
  • op de snelweg rijden en na een poosje niet meer weten tot die tijd gebeurd is, waar je langs gereden bent.

Bij kinderen zie je ook wel dat ze een ‘fantasiewereld’ scheppen, of een 'denkbeeldig vriendje', waar ze een tijdje helemaal in op kunnen gaan. Maar altijd weten ze het verschil tussen fantasie en werkelijkheid. Mensen kunnen ook iets heel onplezierigs blokkeren in hun herinnering, zonder dat dit het algeheel functioneren negatief beïnvloedt.

Dissociatie verloopt op een continuüm van licht naar zeer ernstig. Hiermee samenhangend zie je, dat naarmate de dissociatie ernstiger wordt, meerdere verschijnselen tezamen kunnen voorkomen. Verwarrend is, dat verschillende verschijnselen veel gelijkenis kunnen vertonen met verschijnselen die worden toegeschreven aan andere psychiatrische diagnoses bij kinderen, zoals ADHD, bipolaire stoornis en 'conduct disorder'.

Ook wordt nog wel eens de vergissing gemaakt aan een psychose te denken. Echter, psychosen zijn uitermate zeldzaam op kinderleeftijd.Vrijwel altijd beginnen deze in de adolescentie. Belangrijk is dat onderstaande verschijnselen in combinatie voorkomen bij kinderen die lijden onder traumatische gebeurtenissen en als gevolg daarvan zijn gaan dissociëren. Naarmate de ernst van de dissociatie groter is, neemt dit toe. Kenmerkend is ook dat de wisselingen in gedrag over het algemeen abrupt optreden. Typerend kenmerk van veel verschijnselen is dat kinderen zich er niet bewust van zijn. Een enkel verschijnsel wijst nooit op dissociatie. Neem de tijd, ga niet af op één enkele waarneming. Observeer het gedrag van het kind in verschillende situaties en op verschillende dagen.


Ouders, verzorgers, leerkrachten en anderen die met kinderen in aanraking komen kunnen de volgende verschijnselen onderscheiden: 

  • Op het ene moment leeftijdsadequaat reageren en op het volgende als een veel jonger kind. Dit in alle aspecten, dus spraak, gedrag, zindelijkheid, en dergelijke. Kan ook tot uiting komen in dat het kind soms heel aanhankelijk is en lichamelijk contact zoekt, en op andere momenten daar juist heel afwijzend in is, of bang ervoor. 
  • Regelmatig voorkomende grote wisselingen in gedrag; bijvoorbeeld van heel kalm naar heel druk, van vriendelijk naar boos of agressief. Gaat vaak, maar niet altijd, samen met de volgende symptomen: 
  • Zonder aanwijsbare oorzaak (dus ook als de situatie totaal niet bedreigend of onveilig is) ineens heel angstig of enorm boos zijn, of verdrietig. 
  • Suïcidaliteit of veel praten over doodgaan of doodmaken. 
  • Het kind praat over zichzelf in termen als “wij”, of geeft zichzelf meerdere namen; reageert soms in het geheel niet op de eigen naam. 
  • Het kind spreekt met verschillende stemmen, is soms links- en dan weer rechtshandig, schrijft met verschillende handschriften, of soms slordig en dan weer netjes, of ineens in spiegelschrift. 
  • Geeft merkwaardige antwoorden op vragen, bijvoorbeeld heel laat op een eerder gestelde vraag of op totaal iets anders. 
  • Wisselende voorkeuren, zoals voor wat hun lievelingseten is, of hun lievelingskleren. 
  • Wisselende vaardigheden; dus soms heel handig in een sport en dan weer heel klunzig in diezelfde sport; heel goed in rekenen en op een ander moment weer in het geheel niet. Vergelijkbaar is dat een kind soms voor een probleem een juiste oplossing heeft, en enige tijd later totaal geen voor hetzelfde probleem, en ook geen herinnering heeft aan de eerdere oplossing. 
  • Uit de werkelijkheid zijn, 'spacing out' alsof het kind geheel ergens anders is. Hiervoor bestaat vaak amnesie, zich het niet meer kunnen herinneren. Vergelijkbaar is dat het lijkt alsof het kind in het oneindige staart. In een dergelijke toestand wordt meestal ook niet gereageerd op de omgeving. Ook kan het soms lijken alsof het kind totaal geen gevoelens heeft. Een dergelijke toestand kan ineens veranderen, waarbij het lijkt alsof het kind plotseling wakker is geworden, terwijl het dus niet sliep. Dan weet het dus niet wat er tevoren is gebeurd, dat het iets werd gevraagd of het mist andere informatie over gebeurtenissen. 
  • Het kind wordt vaak beschuldigd van liegen, vanwege de hierboven genoemde wisselingen en het op het ene moment geen weet meer hebben van wat het zei of deed op een ander moment. Op die beschuldigingen kan heftig worden gereageerd.
  • Zonder waarneembare aanleiding van gelaatsuitdrukking kunnen wisselen; al dan niet samenhangend met snelle wisselingen in gedrag. 
  • Het ene moment goed en een ander moment slecht met een ander kunnen opschieten, zonder aanwijsbare oorzaak. 
  • Dingen vergeten, zoals niet meer weten hoe het ergens is gekomen, of waarvandaan hij/zij weg is gegaan, het vergeten van huiswerk, van afspraken, en dergelijke. 
  • Het vergeten van belangrijke zaken, zoals een verjaardag of de dag van een schoolreis. In het algemeen vallen de niet goed te duiden geheugenproblemen op. 
  • Stemmen horen in het hoofd (dus geen externe stemmen). Soms wordt dit benoemd als iets dat of iemand die van binnen zit, die dingen zegt. 
  • Niet leeftijds adequaat seksueel gedrag en sterk gericht zijn op seksualiteit; promiscuïteit, met name in de adolescentie. 
  • Geen pijn voelen, soms in combinatie met automutilatie. 
  • Onverklaarde en onverklaarbare verwondingen. 
  • Ineens in slaap kunnen vallen. 
  • Nachtmerries. 
  • Diverse lichamelijke klachten, die bij onderzoek geen lichamelijke oorzaak blijken te hebben.

Symptomen van kinderen die geritualiseerd geweld ondergaan hebben


Gebaseerd op: Catherine Gould, Ph.D. Out of Darkness ISBN 0 669 26962 X blz 210-216 Vertaling: ds. Anne de Vries. 

Problemen verbonden aan seksueel gedrag en overtuiging: 

  • Het kind spreekt overvloedig over seks; vertoont niet-leeftijdsadequate seksuele kennis; gebruikt woorden voor seks en lichaamsdelen, die in het gezin niet gebruikt worden. 
  • Het kind is angstig bij aanraking of bij het wassen van genitale delen; het heeft weerstand tegen ontkleden voor het baden of om naar bed te gaan, etc. 
  • Het kind masturbeert dwangmatig of openlijk, het probeert een vinger of voorwerp in te brengen in vagina of rectum. 
  • Het kind trekt de broek uit, trekt kleding omhoog op ongepaste wijze. 
  • Het kind raakt anderen aan met seksuele intentie, vraagt om seks, interageert op ongepaste en geseksualiseerde wijze. Het kind is seksueel provocerend of verleidend. 
  • Het kind klaagt over vaginale of anale pijn of een brandend gevoel wanneer het gewassen wordt, heeft pijn bij het urineren of ontlasten. 
  • Sperma of bloedvlekken zijn duidelijk te vinden in het ondergoed van het kind. 
  • Het kind geeft aanwijzingen over seksuele activiteit, het klaagt erover dat iemand hem/haar lastig valt. 
  • Het kind verwijst naar seksuele activiteiten tussen andere kinderen, of tussen hem/haar zelf en een ander kind in misbruikende zin. 
  • Het kind zegt dat iemand haar/zijn kleren verwijderd heeft. 
  • Het kind zegt dat iemand zichzelf ontbloot heeft tegenover haar/hem. 
  • Het kind zegt dat iemand zijn/haar rectum, vagina, penis, mond of achterste heeft aangeraakt. 
  • Het kind zegt dat ze/hij gedwongen was om iemand achterste, vagina, rectum, penis, mond aan te raken of binnen te dringen. 
  • Het kind zegt dat scherpe voorwerpen ingebracht werden in de
    geslachtsdelen. 
  • Het kind zegt dat het ooggetuige is geweest van seks handelingen tussen volwassenen, tussen volwassenen en kinderen, volwassenen of kinderen en dieren, etc. 
  • Bij onderzoek door een kinderarts getraind in de diagnose van seksueel geweld aan kinderen, ontspant het kind het rectum in plaats van dat het het aanspant. Het ontspant de sluitspier, vertoont anale of rectale inscheuring of littekenweefsel. 
  • Bij onderzoek blijkt er bloed of verwonding voor te komen rond de geslachtsdelen, vergroting van de vaginale opening, vaginale inscheuring of littekens bij meisjes, pijnlijke penis bij jongens. 
  • Bij onderzoek blijkt geslachtsziekte. 
  • Meisje verwijst naar getrouwd zijn, vertelt dat ze getrouwd is, of een baby gaat krijgen; of het kind vertelt dat ze nooit in staat zal zijn een baby te krijgen.


Problemen verbonden aan toiletgang en badkamer: 

  • Het kind vermijdt de badkamer, schijnt angstig voor badkamers, wordt geagiteerd wanneer het een badkamer binnen moet gaan. 
  • Het kind vermijdt of is bang voor het gebruik van het toilet; het heeft ‘ongelukken’ omdat het de gang naar het toilet uitstelt, het ontwikkelt chronische constipatie. 
  • Het kind in zindelijkheidstraining is angstig en tegenwerkend om getraind te worden. 
  • Het kind vermijdt zichzelf schoon te vegen omdat het ‘te smerig’ is; het kinderondergoed is vervuild omdat het kind niet schoonveegt of vanwege een ontspannen sluitspier. 
  • Het kind vermijdt badkuipen; is bang om te baden; weigert gewassen te worden in genitale delen. 
  • Het kind is gepreoccupeerd met schoonheid en baden; het verwisselt ondergoed excessief. 
  • Het kind is gepreoccupeerd met urine en ontlasting; het spreekt er dwangmatig over of tijdens de maaltijden; het kind wordt geagiteerd wanneer erover gesproken wordt. Het kind gebruikt woorden voor ontlasting die in het gezin niet gebruikt worden, vooral ‘baby’ woorden. Het kind spreekt dwangmatig over of imiteert het laten van winden. 
  • Het kind gedraagt zich uitzonderlijk in het toilet, ontlast zich op ongepaste plaatsen, hanteert urine of ontlasting, maakt de plek of een verwant smerig met ontlasting, proeft of eet ervan. 
  • Het kind tekent naakte afbeeldingen van zichzelf of van familieleden, die urineren of zich ontlasten.
  • Het kind praat over het opeten van urine of ontlasting, dat het op zijn/haar lichaam gesmeerd wordt of in de mond, dat er op het kind geürineerd of ontlast wordt of dat er iets van dit alles gebeurt met een ander.


Problemen verbonden aan het bovennatuurlijke, rituelen, occulte symbolen, religie: 

  • Het kind is bang voor geesten, monsters, heksen, duivels, Dracula, vampiers, boze geesten etc. 
  • Het kind gelooft dat zulke boze geesten in zijn/haar kast wonen, het huis binnenkomen, naar het kind staren door de ramen, het kind vergezellen, het kwellen of misbruiken of ervoor waken dat het geheimen bewaart, dat ze in het lichaam trekken en de gedachten en het gedrag van het kind sturen.
  • Het kind is gepreoccupeerd met toverstaven, stokken, zwaarden, geesten, magische dranken, vloeken, bovennatuurlijke machten, kruisigingen en stelt er vele of ongebruikelijke vragen over. Het kind maakt drankjes, probeert magie uit, spreekt vloeken uit, roept geesten op, bidt tot de duivel. 
  • Het kind zingt vreemde ritualistische liedjes of gezangen, soms in een voor de ouders onverstaanbare taal, zingt liedjes met een seksueel, bizar thema waarover je ‘liever niets zegt’. 
  • Het kind doet vreemde, ritualistische dansen, wellicht met een kring of andere symbolen. Het kind kleedt zichzelf in rood of zwart, trekt haar/zijn kleren uit of draagt een masker bij zulke dansen. 
  • Het kind is gepreoccupeerd met occulte symbolen, zoals de kring, het pentagram, het getal 6, (tekens van) hoorns, omgekeerd kruis, etc. Het kind kan achterwaarts schrijven, alle letters omkerend en/of schrijven van rechts naar links. 
  • Het kind is bang voor zulke symbolen, wordt geagiteerd of in de war wanneer ze er zijn. 
  • Het kind is bang om naar de kerk te gaan, raakt geagiteerd of in de war in de kerk, is bang voor religieuze objecten of personen, weigert God te aanbidden. 
  • Het kind vertelt dat zij/hij of iemand anders tot de duivel heeft gebeden, vloeken heeft uitgesproken, drankjes heeft gemaakt, ritualistische dansen en liedjes heeft uitgevoerd, geesten heeft opgeroepen, aan magie heeft gedaan. Het kind vertelt dat zij/hij of iemand anders kostuums droeg van een geest, van de duivel, van Dracula, van heksen etc.; het vertelt dat het ceremoniële toverstaven of zwaarden heeft gebruikt, en dat haar/zijn lichaam beschilderd is (meestal zwart).


Problemen verbonden met kleine ruimtes of vastgebonden worden: 

  • Het kind is bang voor toiletten of om opgesloten te worden in het toilet; vertelt dat zij/hij opgesloten was in een toilet. 
  • Het kind is bang voor andere kleine ruimtes, bijv. liften, en raakt
    geagiteerd als het gedwongen wordt naar binnen te gaan. 
  • Het kind sluit huisdieren of andere kinderen op in toiletten, of anders probeert het hen in of op te sluiten. 
  • Het kind zegt dat het bang is om vastgebonden te worden; het vertelt dat zij/hij of iemand anders vastgebonden werd. 
  • Het kind vertelt dat het bang is om vastgebonden te worden (meestal aan één been) en ondersteboven te worden opgehangen; het kind vertelt dat hij/zij ondersteboven opgehangen werd. 
  • Striemen van touw zijn aantoonbaar op het lichaam van het kind. 
  • Het kind probeert andere kinderen, huisdieren, ouders e.d. vast te binden.


Problemen verbonden aan dood: 

  • Het kind is bang dood te gaan; vertelt dat zij/hij doodgaat, of vreest dat zij/hij zal sterven op haar/zijn verjaardag. 
  • Het kind vertelt dat het oefent in dood zijn, of dat het dood is. 
  • Het kind is bang dat ouders, gezinsleden, andere familieleden of vrienden dood zullen gaan. 
  • Het kind praat frequent over dood, stelt veel vragen over ziekte, ongelukken en andere manieren waarop mensen doodgaan. De vragen hebben vaak een over-angstige, compulsieve of zelfs bizarre eigenschap/kwaliteit.


Problemen verbonden aan de spreekkamer van een arts: 

  • Het kind is bang voor en vermijdt doktersbezoek, wordt zeer geagiteerd op weg naar of in de spreekkamer; het verwijst naar ‘slechte dokters’ of laat wantrouwen blijken ten opzichte van de motieven van de dokter. 
  • Het kind is uitzonderlijk bang voor injecties; het kan vragen of het dood zal gaan van de injectie. 
  • Het kind is uitzonderlijk bang voor bloedtests; het kan vragen of het zal doodgaan van de test of dat iemand anders van het bloed zal drinken. 
  • Het kind is bang de kleren uit te doen in de spreekkamer; het vraagt of het naakt rond moet lopen voor andere personen. 
  • Het kind gedraagt zich op een seksueel verleidende wijze op de
    onderzoekstafel, het schijnt seksueel contact te verwachten of daartoe ‘uit te nodigen’. 
  • Het kind vertelt dat hij/zij of iemand anders een ‘slechte injectie’ kreeg, of de kleren uit moest doen, of seksueel contact moest hebben met anderen, bloed moest drinken of bezeerd werd door een ‘slechte dokter’.


Problemen verbonden met bepaalde kleuren: 

  • Het kind is bang voor of houdt helemaal niet van zwart of rood (soms oranje, bruin of purper); het weigert kleren met die kleuren te dragen of voedsel van deze kleuren te eten; het raakt geagiteerd wanneer deze kleuren aanwezig zijn. 
  • Het kind zegt dat zwart een favoriete kleur is vanwege eigenaardige redenen. 
  • Het kind verwijst naar ritualistisch gebruik van rood of zwart, een gebruik dat inconsistent is met wat het in de kerk beleeft.


Problemen verbonden aan eten: 

  • Het kind weigert voedsel of drinken omdat het rood is of bruin (bijvoorbeeld rode drankjes, vlees); het raakt geagiteerd bij maaltijden. 
  • Het kind zegt dat het bang is dat zijn/haar voedsel vergiftigd is; het weigert thuis gekookt eten te nuttigen omdat het vreest dat de ouders het proberen te vergiftigen; het verwijst naar vergiften van verschillende soorten. 
  • Het kind drinkt of eet gulzig, geeft over of weigert te eten. 
  • Het kind zegt dat hij/zij of iemand anders gedwongen werd om bloed of urine te drinken, ontlasting te eten evenals menselijke of dierlijke lichaamsdelen.


Emotionele problemen (inclusief spraak-, slaap-, leerproblemen): 

  • Het kind heeft snelle stemmingswisselingen, is gemakkelijk boos of van streek, maakt scènes, doet roekeloos. 
  • Het kind verzet zich tegen gezag. 
  • Het kind is geagiteerd, hyperactief, wild. 
  • Het kind vertoont tekenen van angst, bijvoorbeeld beven, nagelbijten, tandenknarsen. 
  • Het kind vindt dat het slecht, lelijk, stom is en straf verdient. 
  • Het kind verwondt zichzelf frequent, is vatbaar voor ongelukken. 
  • Het kind is angstig, teruggetrokken, ‘plakkerig’, regressief, babyachtig. 
  • De spraak van het kind blijft achter in ontwikkeling, of stopt helemaal, het ontwikkelt een spraakstoornis.
  • Het kind is vlak in affectie, het faalt in het emotioneel adequaat reageren. 
  • Het kind heeft frequente of intense nachtmerries; het is bang naar bed te gaan, het kan niet slapen, het heeft onrustige slaap.
  • Het kind heeft gebrekkige aandacht en leerproblemen.


Problemen verbonden met familierelaties: 

  • Het kind is bang dat de ouders dood zullen gaan, vermoord zullen worden, hem/haar zullen verlaten. 
  • Het kind is bang dat het ontvoerd zal worden en gedwongen om met iemand anders samen te leven. 
  • Het kind is bang de ouders te verlaten, het kan helemaal niet alleen zijn, het klampt zich vast. 
  • Het kind is bang dat de ouders niet langer van haar/hem houden, boos zijn en hem/haar willen straffen, of willen doden. 
  • Het kind lijkt op afstand van de ouders te blijven, vermijdt fysiek contact. 
  • Het kind schermt af wat de ouders zeggen, is niet in staat de informatie die ze geven op te nemen. 
  • Het kind wordt bovenmatig boos of opgewonden als gezegd wordt wat het moet doen, of wanneer de ouders ‘nee’ zeggen; het kind zegt ‘ik haat je/jullie’ of ‘ik wil jullie vermoorden’; het bedreigt hen met lichamelijk kwaad, het valt hen fysiek aan. 
  • Het kind praat over ‘mijn andere mama’, ‘mijn andere papa’, of ‘mijn andere familie’ (in de cult). 
  • Het kind zegt bang te zijn dat een gezinslid of huisdier ontvoerd zal worden of vermoord of gemolesteerd. 
  • Het kind valt fysiek de ouders of een gezinslid of een huisdier aan, begint seksueel contact ermee, sluit op, smeert ontlasting, bedreigt hem/haar of hen. 
  • Het kind zegt dat iemand zei dat de ouders dood zouden gaan, vermoord zouden worden, het kind zullen verlaten of zullen proberen het kind kwaad te doen. Het kind vertelt dat iemand zei dat het ontvoerd zou worden.


Problemen met spelen en leeftijdsgenoten: 

  • Het kind maakt speelgoed kapot. 
  • Het kind speelt met dood, mutilatie, kannibalisme en begrafenisthema’s door
    te doen alsof het speelgoedfiguren wil doden, ogen uitsteken, hoofden of ledematen eraf trekken; het doet alsof het de figuren zal opeten, of hun bloed zal drinken en hen zal begraven. 
  • Het kinderspel houdt in drogeren, bedreigen, vernederen, martelen, vastbinden, magie, trouwerijen en andere ceremonies.
  • Het kind is niet in staat om mee te doen met leeftijdsadequaat fantasiespel, of kan dat slechts voor een korte periode. 
  • Het kind verwondt andere kinderen, seksueel en/of fysiek. 
  • De tekeningen van het kind of andere creatieve producties vertonen bizarre, occulte, seksuele, dood- of verminkingsthema’s evenals verwijzingen naar ontlasting. 
  • Het kind is extreem controlerend over andere kinderen, speelt voortdurend ‘jacht’ spelletjes. 
  • Het kind praat met een ‘denkbeeldige vriend’, waarover zij/hij niet wil discussiëren, of die hij/zij een ‘geest vriend’ noemt.


Andere angsten, verwijzingen, onthullingen en vreemde overtuigingen: 

  • Het kind is bang dat de politie zal komen om het in de cel te stoppen of het vertelt dat een ‘slechte agent’ hem/haar pijn heeft gedaan of bedreigd heeft. 
  • Het kind is uitzonderlijk bang voor agressieve dieren, bijvoorbeeld krokodillen, haaien, grote honden, of giftige insecten; het kind zegt dat het pijn gedaan is of bedreigd is met zulke dieren of insecten. 
  • Het kind is bang dat er in het huis zal worden ingebroken, dat het beroofd zal worden of afgebrand, of het zegt dat iemand hem/haar gedreigd heeft dat dit zou gebeuren; het kind wil graag verhuizen. 
  • Het kind is bang voor ‘slechte mensen’, ‘rovers’, ‘vreemden’ of zegt dat het contact heeft gehad met zulke mensen; het kijkt naar buiten op zoek naar ‘slechte mensen’. 
  • Het kind praat over ongewone plekken, zoals begraafplaatsen, lijkenhuizen, kelders in kerken etc. of vertelt dat het of anderen naar zulke plaatsen gebracht werd; het vertoont schijnbaar irrationele angst voor bepaalde plaatsen. 
  • Het kind zinspeelt op foto’s of films van naakte mensen, soms met verwijzing naar seksuele daden, ongewone kostuums, betrokkenheid van dieren etc.; het is bang dat er foto’s genomen worden of het vertoont provocatieve houdingen; het vertelt dat het slachtoffer was van pornografie. 
  • Het kind praat over drugs, pillen, foute snoep, alcohol, paddenstoelen, ‘slechte medicijnen’, of injecties op een niet-leeftijdsadequate wijze. Het kan verwijzen naar drug of een laxerend effect, of zeggen dat het een substantie kreeg toegediend. Wanneer het terugkeert van een seksuele/rituele geweldshandeling kunnen de ogen van het kind glazig zijn, de pupillen kunnen vergroot zijn of samengetrokken; het kind kan moeilijk te wekken zijn en heeft last van excessieve slaap. 
  • Het kind is bang voor eigen bloed, wordt hysterisch, denkt dat het dood gaat. 
  • Het kind is extreem bang voor gewelddadige films. 
  • Het kind gelooft of vreest dat er iets vreemds in haar lichaam of maag is bijvoorbeeld satans hart, een demon of een monster, een bom etc. 
  • Het kind praat over het opsluiten, kwetsen, doden, verminken en opeten van dieren, baby’s en mensen. 
  • Het kind ervaart voortdurend ziekte, vermoeidheid, allergieën, en lichamelijke klachten, bijvoorbeeld maagpijn of pijn in de benen. 
  • Merktekens en/of brandmerken zijn waarneembaar op het kind evenals ongewone kneuzingen, soms in patronen.